Short story #40

ss40

 

 
 
 

 

De kamer was donker. Met moeite wist dokter Bartens de bewoner te onderscheiden.
‘Hoe lang al?’
‘Vier maand? Ik ben de tel al lang kwijt geraakt. Een flinke tijd, in ieder geval,’ antwoordde de wachter.
‘Mh.’
Bartens maakte een aantekening.
‘En ze eet wel normaal? Regelmatige toiletbezoeken, menstruatie?’
‘Voor zover ik weet wel. Ze eet wat weinig, maar ze krijgt voldoende binnen.’
Bartens maakte opnieuw een aantekening.
‘Kan ik zo naar binnen, denkt u?’
De wachter haalde zijn schouders op.
‘Ik denk zo veel. Al zal ze u niet veel kwaad kunnen doen, zo slap als een vaatdoek. Ze heeft al minstens twee weken geen woord meer gezegd – geen woord meer kunnen zeggen.’
Bartens tuurde fronsend door het raampje. Ze zag er niet gevaarlijk uit.
‘Wanneer was haar laatste woedeaanval?’
‘Oh, lang geleden. De kamer zuigt alle energie uit haar. Zelfs zij moet zich op een gegeven moment overgeven. En dat moment is nu aangebroken.’
Bartens knikte. Hij had veel over haar gehoord. Veel, maar geen achternaam. Violeta. Violeta.
‘Zou u de deur voor mij open kunnen doen?’
De wachter knikte en toverde zijn sleutelbos tevoorschijn. Tien tellen later stond Bartens in de kamer. Achter hem viel de deur automatisch dicht. Hij had dit vaker gedaan. Dit was niets nieuws. Het eerste wat hem opviel, was het vuurrode haar van het meisje, dat ondanks haar gesteldheid leek te gloeien. Haar ademhaling was zwak, maar regelmatig. Nu nog wel.

Hij had geen hekel aan zijn beroep. Natuurlijk waren er prettigere manieren te bedenken om je steentje bij te dragen aan de maatschappij, maar je kunt niet alles hebben. Daarnaast bracht het ook een zekere vorm van dankbaarheid met zich mee. Vaak keken zijn patiënten zelfs naar zijn laatste bezoek uit. Hij was een verlosser, een brenger van vrede en rust, een hedendaagse Charon, die geen riemen maar medicatie gebruikte.
‘Violeta?’
Hij begon altijd met het uitspreken van de naam. Zachtjes, gemoedelijk. Hij had de tijd.
‘Violeta?’
Zelden reageerde een patiënt op de eerste keer. Ze waren te verzwakt. Daarom verhief hij zijn stem heel iets. Maar niet te veel. Een aantal keren had een patiënt tegengestribbeld, en deze patiënten kwamen ’s nachts nog altijd bij hem op bezoek. Hij wist wel beter. Je moest vriendelijk blijven, rustig blijven. Dan heb je hun vertrouwen. Het is als bij een jong konijntje: één verkeerde beweging en het beestje schiet weg. Nu was dit konijntje wel heel ziek.
Hij nam haar nog eens uitgebreid in zich op. Hij had Violeta één keer in actie gezien, al meer dan een jaar geleden. Ze was toen negentien, en had een ongekende kracht voor iemand van haar postuur en leeftijd. Haar lichaam straalde van de energie, en het was geen wonder dat de kamer er zo lang over had gedaan bij haar. Nu hij haar zo gebroken zag zitten, werd er voor het eerst in zijn carrière iets in hem losgemaakt. Een soort schuldgevoel. Violeta had nog zo veel voor zich gehad, maar in plaats daarvan was ze een van zijn patiënten geworden. En als je eenmaal in zo’n praktijk terecht gekomen bent, zul je het zonlicht nooit meer zien.

De kamer had het meeste werk voor Bartens al gedaan, wat zijn taak er dragelijker op maakte. Zijn patiënten waren van binnenuit al leeggezogen, stonden al op de rand. Het enige wat hij deed, was het verlossende duwtje geven. Het was een vorm van genade. Als hij het niet deed, zou de patiënt nog een maand zonder doel creperen in de kamer, met uiteindelijk alsnog het onvermijdelijke eind.

‘Violeta?’
Eindelijk kwam er een respons. Ze strekte haar hand heel iets naar hem uit. Bartens pakte hem vast. Hij was klein, fragiel, en toch voelde hij ergens de energie gloeien die zij altijd had uitgestraald. De dokter kneep er zachtjes in.
‘Het komt goed, Violeta. Ik ben er voor je. Over een half uurtje is het voorbij.’
Bartens zette zijn koffertje op de tafel en klikte hem open. Een sterk gif leek hem het verstandigst. Hij had haar hand niet alleen vastgepakt om haar gerust te stellen, hij wilde ook haar kracht voelen. En haar kracht was – zoals verwacht – nog steeds op de achtergrond aanwezig, zij het flink onderdrukt door de kamer en de medicatie. Haar lichaam, dat vroeger als conductor van de kracht had gediend, was veranderd in een kooi die de kracht had verzwakt. Opmerkelijk, hoe het lichaam zich tegen je kan keren. Bartens pakte het glas dat hij speciaal voor haar had meegebracht en zette het op tafel. Hij schonk Violeta verder geen aandacht. Ze was – zoals de wachter al zo scherp had opgemerkt – toch te zwak om hem iets te doen. Hij pakte een flesje gevuld met een groene vloeistof en een paar felroze pillen. Hij legde zijn aantekeningen ernaast, en stelde het gif voor haar samen. Toen hij zich oprichtte om het glas te pakken, greep hij mis, om daarna bijna van zijn stoel te vallen van schrik. Violeta had het glas in haar hand geklemd, en staarde hem met haar felgroene ogen aan. Ze keek dwars door zijn ziel en leek tegelijkertijd al ver heen te zijn. Haar gezicht was uitgemergeld, haar huid was lijkbleek. Bartens herinnerde zich hoe mooi ze vroeger geweest was. Niet alleen mooi in de zin van aantrekkelijk – bij haar ging het verder. Ze straalde een soort autoriteit uit die haar iets goddelijks gaf. Iedere man die haar gezien had, was op slag voor haar gevallen. En Bartens was geen uitzondering op die regel. Hij probeerde er een woord uit te persen, maar erg ver kwam hij niet. Ineens knapte het glas in haar greep, en Bartens maakte een sprongetje van schrik. Wat een hele prestatie is voor een zittende kerel met overgewicht. Voor hij het wist was Violeta over de tafel heen geklommen en drukte ze haar mond vol op de zijne. Violeta voelde zijn lichaam onder haar, dat langzaam verlamd raakte. Niet alleen door de schrik – de dodelijke injectie die ze in zijn hals had geramd had zeker geholpen. Ze zoog de energie uit hem en likte haar lippen af. Het lichaam van Bartens liet ze liggen. Dan had die arme wachter niet voor niets in deze vrieskou buiten een kuil gegraven.

Short story #39

ss39

Het kan zijn dat je deze al kent. Ik heb hem namelijk al eens ingestuurd voor een schrijfwedstrijd op Girlscene. Maar ik vond het zonde om hem alleen daar te laten staan, verstopt tussen de reacties en topics. Opbouwende kritiek is altijd welkom!

***

De trein raasde door het glooiende landschap. Mijn horloge stond stil, de coupé was leeg, en ik las de krant van gisteren – of was het eergisteren? Niet alleen mijn horloge stond stil – de tijd stond stil. In mijn gedachten speelde ik met het bijzondere contrast tussen de tijd binnen deze coupé, de stilstand, en de constante vooruitgang van de trein. De eerste die de eeuwigheid verbrak was een oud vrouwtje met een etenswarenkar.
“Iets te eten, liefje?”
Ik had geen honger, dus bestelde een kopje koffie. Zwart, met twee klontjes suiker.

You’re waiting for a train

Ik liet mijn koffie een beetje afkoelen, en probeerde zo de tijd te peilen. De koffie zat in een papieren bekertje. Het bekertje stond op het houten tafeltje in het midden van de coupé. De coupé die ik voor mezelf had. Ik dronk mijn koffie. De bitterzoete smaak gaf me direct energie. Sommige mensen beweren dat het door iets anders komt – een bepaald stofje in de koffie. Ik geloofde dat het om de smaak ging. De smaak, in combinatie met de perfecte temperatuur.

A train that will take you far away

Het zou helpen als ik wist waar ik was – hoe ver het nog was. Hoe lang het nog zou duren voor ik bij het eindstation zou zijn. In één van mijn koffers had ik mijn favoriete boeken ingepakt. Ik wist alleen niet meer welke koffer het was, en kon mezelf er niet toe zetten nu te zoeken – deels uit angst om net in de weer te zijn met die koffers als de trein dan eindelijk stopte.

You know where you hope this train will take you

De koffie was op. Ik trommelde op het tafeltje, zoekend naar vermaak. Afleiding. Mijn gedachten cirkelden om de eindbestemming. Hoe lang zou het nog duren? Het landschap bleef onveranderd. De krant van gisteren – of eergisteren? – lag naast me op de bank. Op het vrouwtje na, had ik niemand meer gezien. Niemand op de gang die langsliep, op zoek naar het toilet. Ook het geluid van stemmen ontbrak. Het raampje in de coupédeur was half opengedraaid, maar ik hoorde niets dan het geraas van de trein. Het geluid van de vooruitgang, zonder eindpunt. Haast zonder beginpunt. Ik was niet alleen mijn gevoel van tijd verloren – het leek alsof ik hier altijd al geweest was. Ik kon me niet herinneren hoe ik in de trein terecht gekomen was, met wie ik hier was geweest, hoe lang ik hier al onbeweeglijk zat. Zelfs van de krant, met de nietszeggende datum, wist ik niet hoe ik eraan gekomen was.

but you don’t know for sure

De twijfel begon aan me te knagen. Eerst was het zwakjes op de achtergrond aanwezig, als ruis bij de radio, en toen sloeg het in één keer toe en beving me, hield me in zijn greep. Verstikte me. Ik kuchte, en probeerde het nare gevoel van me af te schudden. Ik stond op. De trein raasde rustig door. Ik klom op de bank. De trein maakte voor het eerst in tijden een lichte bocht naar links. Ik trok een van de kleinere koffers van het bagagerek. De trein schokte, en ik moest moeite doen mijn evenwicht te bewaren. Uit het gewicht van de koffer leidde ik af dat ik waarschijnlijk in één keer de goede te pakken had, en toen ik hem opende bleek mijn voorgevoel juist. Ik pakte een boek van stapel, zonder echt op de titel te letten – ik wist toch dat het een van mijn favorieten was – en sloeg hem open. Ik werd direct in het verhaal gezogen.

But it doesn’t matter

Het verhaal leidde me af van mijn zorgen. Ik had mijn favoriete personages om me heen, die ronddansten door mijn fantasie in werelden die in de realiteit nooit geschapen zouden kunnen worden. Woorden aaneengeregen tot zinnen. Zinnen die het verhaal lieten oprijzen voor mijn ogen. Het voelde alsof ik zelf door tochtige torenkamertjes rende, alsof ik het was die toekeek vanuit een hoekje in de balzaal hoe prinsen en prinsessen met elkaar door de ruimte zweefden. Het verhaal nam me mee, verder weg dan de trein me ooit zou kunnen brengen. En toch was de bestemming in het boek bekend.

How can it not matter to you where that train will take you?

De deur van de coupé zwaaide open. Opnieuw schokte de trein, waardoor mijn koffer bijna van de bank afviel. De jongen in de deuropening had er geen moeite mee, en bleef rustig staan. Ik keek op, en herkende het gezicht van de persoon die nog meer voor me betekende dan het boek – die mijn zorgen niet alleen wegnam, maar me vervulde met een gelukzalig gevoel. Zijn aura straalde puur goud, alsof hij niet van hier was. Alsof hij meer was dan zijn aardse zelf, alsof hij van binnenuit gestuurd werd door een goddelijke kracht die de ruimte vulde en me meer energie gaf dan alle koffie op de wereld toe in staat was. Genoeg energie om de eeuwigheid te doorstaan.
“Jon,”
Jon wierp een blik op zijn – werkende – horloge.
“Ariadne,”

Because you’ll be together.